Blog

Verhuisdag


H
et was nog vroeg, erg vroeg, op een doodnormale dag, lang heel lang geleden. Zoals elke ochtend, had ze moeite met wakker worden. De nachten waren altijd te kort, de dagen zo niet nog korter. Ze keek rond in haar slaapkamer, oud en stoffig, wat bedompen.

De geur van historie, hout en zoute tranen gaven haar een weemoedig gevoel. De zon deed moeite zijn felle stralen door het kleine dakraampje te priemen, maar het vuil dat er door de jaren op was verzameld, hield het veelal tegen, waardoor er weinig anders over bleef dan diffuus, gebroken licht.

Plots maakte de schreeuw van een klein meisje haar wakker uit haar nog slaperige toestand. Ze liep naar het dakraam en opende het. Een volle teug ochtendgloren vulde haar longen. Haar lichaam gaf haar een bevestigende tinteling, zelfs haar tenen jubelden vluchtig, uit pure dankbaarheid. Het meisje dat zo geschreeuwd had, was van het rijtuig van haar vader gevallen. De kar lag vol met kolen, vers van het land. Het meisje droogde haar tranen en klom zelf weer achterop de wagen, zodat de tocht naar de markt voortgezet kon worden. Dit tot tevredenheid van haar vader, die geërgerd  terug voorop de bok ging zitten.

Het tafereel daar beneden had haar afgeleid van het zonlicht en de vriendelijke blikken van de mensen, die naar haar op keken. Sommigen zwaaiden zelfs en groetten haar. Ze bemerkte een glimlach op haar gezicht en zwaaide ietwat verlegen terug.

Opgeschrikt door een duif, die in de dakgoot, niet geheel geruisloos, een nest bouwde, realiseerde ze zich dat er iets belangrijks op de agenda stond vandaag. Ze draaide zich om en keek, al staand op een houten kistje, rond door haar kamer. Het open raam zette de dozen in het volle licht .. Verhuisdag, het is verhuisdag vandaag, hoorde ze een stemmetje in zichzelf zeggen. Hoe had ze het kunnen vergeten?! Ze had niet eens een wekker gezet.

Zachtjes stapte ze van het kistje en liep naar de hoek van de kamer. In een grote gouden kooi zat daar Dorus. Hij sliep nog en zijn vleugels, die ritmisch schokten, verraadden dat hij nog compleet in dromen verzonken was.

Een beetje ongeduldig en vol van spanning en enthousiasme tikte ze tegen de tralies. “Word wakker vriend”, zei ze. Geen reactie. “Word wakker, Dorus. Het is vandaag!” “Het is altijd vandaag”, knarste een schorre ochtendstem vanuit een dikke kraag donsveren. “Nee joh, dat weet ik wel,” zei het meisje “maar het is vandaag dé dag, verhuisdag, weet je nog?” Nu was Dorus direct alert en verontschuldigde zich voor zijn diepe slaap. “Niet erg, maar we moeten nu wel aan de slag hoor, anders redden we het niet, voordat vader thuis komt van zijn werk”, zei het meisje.

Ze opende de kooi en kroelde Dorus in zijn heerlijk warme nek. Hij genoot er zichtbaar van. Haar kleren waren al ingepakt, evenals haar boeken. Verder had ze niets nodig. Ze had de laatste maanden genoeg tijd gehad afscheid te nemen van het huis en haar spullen.

Familie Muis, daar had ze lang en veel mee gepraat. Ze waren zo dol op dit oude en uitgeleefde huis. Hun kinderen waren er geboren, er was altijd genoeg te eten en ze kenden alle gangetjes, gaten en kieren op hun duimpje. Ze hadden besloten te blijven, maar begrepen het meisje goed, heel goed. Ze waren er altijd voor haar geweest, droogden menige traan, lieten haar lachen en zorgden voor haar, alsof ze een van hen was .. maar dat was ze niet en dus moesten ze haar loslaten, vandaag.

Eén voor één kwamen ze uit hun holletje en renden naar het meisje. Lief, vrolijk en speels, als altijd. Vader en moeder Muis riepen de kleintjes terug en vroegen ze rustig te doen. Het meisje nam de tijd, sprak het plan met vader Muis nog een keer door. Dorus was er voor de planning en zag er scherp op toe dat, al waren ze wat verlaat, nu alles stipt en volgens plan werd uitgevoerd.

Aangekleed, zei ze familie Muis, met een hart vol dankbaarheid, vaarwel. Ze had kaas en brood voor ze verzameld en gaf ze nog wat stofjes van haar lievelingsjurk, die ze vermaakt had, voor in hun holletje cadeau. Wat was ze deze kleine vrienden dankbaar en wat zou ze hun vrolijkheid en gezelschap gaan missen, maar ze kon niet anders. Ze moest gaan.

Vader Muis rende door zijn gangetjes naar de stal, waar het paard al klaar stond met het kleine beetje bagage, dat mee ging. Dit hadden ze gisteravond laat al voorbereid. Hij vertelde paard Felix voor te rijden. Het meisje opende, datzelfde moment, haar slaapkamerdeur en trof daar haar moeder ineengedoken, zittend op de trap.

“Je gaat hè?”, zei ze.
“Ja”, zei het meisje, “het is tijd.”
“Ik begrijp het”, zei ze met een vermoeide stem, “helaas is het niet anders.”
“Nee, dat klopt, mama. Ik houd van je en vind het heel erg voor jou dat je je zo voelt, maar ik moet gaan.”
“Ga maar kind.”

Nu sprak Dorus: “Het is tijd, ga nu, anders ontstaan er problemen. Felix staat al op ons te wachten buiten. Oh nee, maar wacht! Mijn kooi staat nog boven!” “Die hebben we niet meer nodig”, antwoordde het meisje. “Met mij, ben jij dadelijk ook vrij.” Ze stapte de trap af. Dorus, haar eigenwijze uil, zat op haar schouder. Ze liep langs haar moeder, die zachtjes huilde. Ze keek niet om en opende de voordeur.

De zon scheen nog net zo krachtig als even geleden, boven door haar dakraam. Een paar trouwe en liefdevolle ogen keken haar aan, het waren de ogen van Felix. Hij stond daar fier en vol daadkracht op haar te wachten, opgezadeld en wel. Klaar om te gaan. Ze sloot de voordeur, stapte van het afstapje en sprong elegant op zijn rug. Toen ze de teugels wilde opslaan, hoorde ze plotseling een barse stem: “Waar denk jij dat jij naartoe gaat?” Het was haar vader, die naast zijn rijtuig stond. “Dat weet ik niet vader”, antwoordde ze “maar weg van hier.” Daarop gaf ze, zonder nadenken en nog iets te zeggen, de teugels een ferme zwiep en Felix kwam met volle kracht in beweging.

Er was geen houden aan …

Wind in haar haren.
De vermaakte blauwe jurk, die danste door de lucht.
Een spontane, gelukzalige lach op haar gezicht.
Ze keek niet om, niet één keer.
Ze reed richting de zon.
Het land leek oneindig.
Deze weg was haar weg.

Felix liet zich niet stoppen en zij wilde blijven gaan, totdat ze voelde dat ze thuis was, op nieuw, maar vreemd genoeg bekend terrein, waar rust heerste, liefde bovenal en alle mogelijkheden open lagen …

Op Gevoel

Gevoel vertelt meer dan je denkt …

Mijn hoofd was mijn motor. Mijn hoofd daar ging ik vanuit. De verbinding met mijn lijf en mijn voelen, was ik ergens in mijn jeugd verloren. Niet bewust. Ik kon het toen nog niet weten. Maar ergens is daar de overtuiging gekomen, om alles te analyseren, elke gebeurtenis, elke ervaring, elke gedachte en zelfs mijn gevoel.

Voelen, dat doen we allemaal. De één is zich er meer van bewust dan de ander. Dat is niet erg, zolang je je goed voelt, bij de manier waarop je leeft. Het kan zelfs een zegen zijn, niet alles te voelen. Als hooggevoelige vrouw lijkt het me maar wat fijn, als ik mijn voelen zo nu een dan eens “uit” zou kunnen zetten. Lees: dat ik de scherpe randjes van het voelen, af zou kunnen schaven. Want dat is het … mijn gevoeligheid laat me alles voelen; elke nuance, elke sensatie, elke emotie. En dat niet voor even en oppervlakkig, maar langere tijd en intens.

Het heeft heel wat jaren geduurd, voordat ik erachter kwam dat ik fijngevoelig ben. In mijn jeugd dacht ik dat iedereen de wereld zo ervaarde als ik. De reactie van anderen liet echter iets anders zien, waardoor ik mijn eigen reactie en manier van zijn begon af te keuren. Waarom kon ik een vervelende opmerking niet “gewoon” naast me neerleggen? Waarom zat ik nog met een roddel over een klasgenoot in mijn maag, die alle anderen al leken te zijn vergeten? En zo kan ik nog wel even doorgaan.

Langzaam maar zeker begon ik mij aan te passen. Aan alle anderen. Aan de norm. Het algemeen geaccepteerde. Hierin raakte ik steeds verder verwijderd van mijzelf. Thuis was de geldende regel; “Doe maar normaal. Stap erover heen. Sterk zijn.” Hele mooie principes en met de meest liefdevolle intentie meegegeven, maar ze werkten niet voor mij. En nu ik meer weet over mijzelf en over de (interpersoonlijke) ontwikkeling van mensen in het algemeen, weet ik hoe ze me aan het twijfelen hebben gebracht, mijn zelfvertrouwen hebben ontkracht en mij van mijn gevoel leidden naar mijn verstand.

Het was juli 2011 dat onze prachtige zoon geboren werd. Een helse bevalling, maar tegelijkertijd het mooiste moment van mijn leven, tot dan toe. Dit moment was ook het moment, waarop ik zelf opnieuw geboren werd. De dag van de bevalling verliep ondanks de pijn in een roes. De volgende dag, werd ik voor het eerst wakker, mij bewust van het feit dat ik moeder was. Toen ik het rolluik van onze slaapkamer optrok, was niets meer hetzelfde. Ik keek naar buiten, zoals ik altijd deed, maar zag iets anders. Nieuwe kleuren, andere contouren, zelfs het beeld, waarin niets wezenlijk veranderd was, kwam mij vreemd voor. Het duurde een moment, voordat het tot me doordrong. Het was niet hetgeen ik zag, dat was veranderd, maar degene die het zag, die was veranderd. IK.

Liefde, ik liep ervan over. Dankbaarheid, ik wist er geen weg mee. Vreugde, dat tranen bleven maar komen. Het leek alsof emoties, die ik jaren lang zover had weggestopt, allemaal ineens naar boven kwamen. En ik liet ze. Dat wat ik voelde, zo intens, zo alles overheersend, kon ik niet op de rij krijgen, niet beredeneren. Ik liet het komen en er zijn. Het luchtte op. Het kindje in mijn armen, had de weg vrij gemaakt voor een stuk van mij, wat ik zorgvuldig had afgesloten.

Het was het begin van de reis, van mijn hoofd naar mijn gevoel. Een reis, waarin ik mijzelf leer(de) kennen, mijzelf zie en recht doe aan mijn gevoel. Het is een reis van zelfliefde, van er mogen zijn en niet meer leven door de ogen van een ander, maar zelf durven kijken en zien.

De reis duurt voort, omdat ik nooit uitgekeken raak, de bron van liefde onuitputtelijk is en het verder ontdekken van mijzelf, mijn dromen, wensen en mogelijkheden gelijk staat aan het ontdekken van de wereld. Met mijn gevoel als kompas, mijn hoofd als TomTom en mijn waarden als leidraad kom ik er wel …  Nou ja, ergens in elk geval!